
Afscheids column voor Jan Visser
Bij het opruimen van een kast vond ik een foto die werd gemaakt in ’91. Jan, Lied Zwagerman, Milou van Dam en ondergetekende gezeten achter de Collegetafel bij de presentatie van het project ‘Jardin d’Amis.
Wij stralend, nog tamelijk rimpelloos, naast een met woeste lokken en baard voorziene Jan in hoedanigheid van wethouder die de zaal, gevuld met betrokken burgers die belangeloos, balkon, tuin, huis en haard ter beschikking hadden gesteld aan de deelnemende kunstenaars, informeerde over deze komende happening.
(Kom daar vandaag de dag maar eens om, maar dit terzijde)
Het gebruikelijke ritueel ten stadhuizen om bij aantreden van een nieuw College wethouderkamers te mogen inrichten met een persoonlijke keuze aan kunst heeft Jan bij zijn aantreden aangegrepen om het uit mijn BKR-periode het aangekocht levensgroot schilderij “Laocoön” dat, mede de aandacht trok door de afbeelding van een penis, op te hangen in zijn kamer. Handenwrijvend verheugde hij zich op de reacties.
Het doek inspireerde hem tot het schrijven van het gedicht “Laocoön”.
Priester van de argwaan.
Schreeuwend wierp hij zijn spies
van wantrouwen
tegen het hart
tegen de ziel
tegen het geheim
tegen het intieme
tegen de flanken van het innerlijk.
Hoongelach is zijn deel.
Wie ben je wel, poseidonknecht?
Priester van de argwaan.
Met tongen flikkerend als vlammen,
vrouwenzacht, schuiven de slangen van erotiek
om zijn emoties
om zijn frustraties
om zijn zonen van gevoelens
om zijn verwarring.
En doodsangst is zijn deel.
Wie denk je dat je bent, apollojong?
De onmacht van tekens
De macht van de stem,
Gewikkeld in een kluwen van strijd
tastend de grenzen af van
beeld en woord
|

Jan is trouw aan ‘zijn’ kunstenaars. Betrekt ze zo vaak en zoveel mogelijk bij zijn activiteiten, o.a. bij presentaties van nieuwe dichtbundels zoals ‘Buitengebied ’97 , de manifestatie Ecce-Homo ( ’97).
Daarnaast was hij een van de voorvechters om de ‘Follie’ tegenover het Gemeentehuis, in de wandelgangen het Slakkenhuis genaamd, ter beschikking te stellen als broedplaats/atelier voor kunstenaars. Het zijn maar een paar voorbeelden.
Met grote (on)regelmatigheid ploffen er kaarten in mijn brievenbus met , in stevig handschrift geschreven, opbeurende of toepasselijke teksten . Jan is niet altijd even toegankelijk. Ook dat is een aspect van zijn kleurrijke persoonlijkheid. Vertel je hem iets wat hem niet interesseert dan is hij gauw klaar met het gesprek. In zijn columns valt zijn gemeende -mooi ‘-mopperende verontwaardiging te lezen over verschillende onderwerpen , maar ook het tedere trotse als hij schrijft over zijn kleinkinderen.Nog zie ik hem , zich onbespied wanend, vanuit de werkkamer van Juliana tijdens een beeldenexpositie in de paleistuin van Soestdijk, gelukzalig neerkijken op zijn huppelende kleindochter Fay .
.Regelmatig belde ik hem voor hulp of advies en als ik dan vroeg : komt het gelegen schat? , was zijn reactie altijd: ‘ja hoor schat. ( we ‘schatten’ al zo’n 25 jaar)
Beëindiging van het gesprek sluit hij steevast af met de woorden: ’ doorgaan hoor’!’
Dat laatste zend ik je retour Jan en sluit af met het prachtige gedicht uit de dichtbundel
De geur van verbrande veren' van Gerrit Kouwenaar
Het is laat zoals ieder jaar,
de tijd zit krap in zijn heden,
vandaag is steeds weer geweest
steek dus het licht aan dat de toekomst nog uitspaart,
spreek het brood aan dat nog niet doof is,
maak de taal waar achter zijn tekens,
spel het vlees, stil de tijd, leef nog even –
Dag ‘schat’,!
Jean-Marie van Staveren
28 september 2010 Soester Courant
|